De invoering van de Wab introduceert een nieuwe beprijzing van risico’s in de sociale zekerheid. Dat begint met de WW-premie, maar ook voor de Ziektewet en de WGA staan grote wijzigingen op til. Vast staat dat de huidige sectorfondsen verdwijnen. Ervoor in de plaats komt waarschijnlijk een systeem waarbij de bedrijfsomvang bepaalt of de premie van een werkgever vooral afhangt van feitelijke schade of van instroomrisico’s.

Volgens de Wab gaan werkgevers vanaf 2020 bij vaste contracten een lage WW-premie betalen en bij flexibele contractvormen een 5 procentpunt hogere. Maar dat is pas de eerste stap. De Wab luidt ook het einde in van het systeem van sectoraal gedifferentieerde premies. Dit heeft directe gevolgen voor de gedifferentieerde Ziektewet- en WGA-premies van publiek verzekerde kleine en middelgrote werkgevers. Die zijn nu immers volledig (kleine werkgevers) of deels (middelgrote) afhankelijk van de sectorindeling. Alleen bij grote werkgevers bepaalt de feitelijke schade bij publieke verzekering volledig de gedifferentieerde premie.

Hoofdlijnen kabinetsplannen zijn bekend

Wat het kabinet in ruil voor de sectorpremies wil invoeren, is alleen op hoofdlijnen bekend. Volgens de Memorie van toelichting bij de Wab (p. 96) moet er voor kleine en middelgrote werkgevers per 2020 of 2021 een ‘verbeterde en toekomstbestendige premiesystematiek’ komen voor de Ziektewet en de WGA. De coalitie wil hierbij aansluiten bij het risicoprofiel van werkgevers, meewegen in welke mate zij hun eigen risico’s kunnen beheersen, bijdragen aan voldoende solidariteit in het stelsel en tot slot een voldoende gelijk speelveld realiseren op de hybride ZW- en WGA-markt.

Kabinet koerst af op risicobeprijzing

Het is interessant om deze uitgangspunten naast de methode te leggen die het kabinet in de Wab kiest om een nieuwe balans aan te brengen op de arbeidsmarkt. Deze wet maakt het vaste contract aantrekkelijker en flexibele contracten duurder. Trekken we die lijn door, dan doemt een premiesysteem op met (vermoedelijk) de volgende contouren:

  • Voor kleine en middelgrote werkgevers koerst het kabinet af op een systeem waarbij naast feitelijke schade ook de contractvorm van invloed is op de Ziektewet- en WGA-premie.
  • Als dit klopt, laat de coalitie het principe ‘de vervuiler betaalt’ deels los: een deel van de premie wordt vastgesteld naar risico, niet naar feitelijke schade.
  • Alleen de Ziektewet- en WGA-premies van grote werkgevers blijven volledig afhankelijk van daadwerkelijke schade. Hier is in het huidige systeem immers ook geen sectorpremie in het spel.

Van collectieve prestatie naar individuele keuze

Als bovenstaande inschattingen kloppen, krijgen kleine en middelgrote werkgevers bij de Ziektewet en de WGA te maken met een structurele verschuiving. Het huidige systeem van sectorpremies kan voor hen zowel kostenverhogend als kostenbeperkend uitpakken. Beslissend is hoeveel zieke flexwerkers en deels arbeidsongeschikten een sector heeft: het is de collectieve prestatie die telt. Als de invoering van beprijzing naar risico werkelijkheid wordt, vervalt deze sectorale invloed op de premie. In plaats daarvan gaan voor kleine en middelgrote werkgevers standaard de premiekosten omhoog zodra ze voor flexwerk kiezen. En wordt het dus de individuele keuze die telt.

Nieuwe verschillen tussen groot, middelgroot en klein

Wordt bovenstaand scenario werkelijkheid, dan ontstaan er op het gebied van flexwerk ook nieuwe verschillen tussen grote, middelgrote en kleine werkgevers.

  • Alle werkgevers betalen straks – ongeacht bedrijfsomvang – een op voorhand verhoogde WW-premie zodra ze gebruikmaken van flexwerk. Het eenduidige principe is hier: uit een verhoogd werkloosheidsrisico volgt een hogere premie, flexwerk is altijd duurder dan een vast contract.
  • Grote werkgevers betalen straks (net als nu) voor de Ziektewet en de WGA een premie die volledig afhangt van hun daadwerkelijke schade. Hier geldt dus het principe: uit een verhoogde schade volgt een hogere premie, flexwerk is alleen duurder dan een vast contract als het meer schade of preventiekosten oplevert.
  • Middelgrote werkgevers betalen straks (net als nu) voor de Ziektewet en de WGA een premie die deels afhangt van hun daadwerkelijke schade. Maar bij hen gaan (anders dan nu) de Ziektewet- en WGA-premie ook op voorhand omhoog zodra ze een flexcontract sluiten. Handhaaft het kabinet de nu aanwezige glijdende schaal, dan is de invloed van de contractvorm zwakker (en die van de schade sterker) naarmate de bedrijfsomvang groter is. Hier is het principe dus: schade en risico hebben allebei invloed op de premie; de bedrijfsomvang bepaalt welke invloed groter is én hoeveel duurder flexwerk op voorhand is dan een vast contract.
  • Kleine werkgevers betalen straks (anders dan nu) voor de Ziektewet en de WGA een premie die volledig afhangt van de contractvorm. De daadwerkelijke collectieve schade is bij hen (anders dan nu) niet van invloed. Kortom, hier geldt het principe: uit een verhoogd risico volgt een hogere premie, flexwerk is altijd duurder dan een vast contract.

Conclusie: nieuwe balans moet vooral van de WW komen

De grote vraag is wat een nieuw premiestelsel met deze kenmerken betekent voor de balans op de arbeidsmarkt. Duidelijk is dat het werkgevers (met uitzondering van uitzenders) geen nieuwe stimulans geeft om eigenrisicodrager te worden en zélf verantwoordelijkheid te nemen voor ziekte en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Beslissend is dus of het stelsel werkgevers effectief prikkelt om meer vaste contracten te geven. Juist op dat punt dreigt het kabinet echter een fikse handicap in te bouwen. Alleen de WW-premie geeft met ingang van 2020 álle werkgevers een nieuwe prikkel om meer vaste contracten te geven. Bij de Ziektewet en de WGA is deze prikkel slechts deels aanwezig en daalt hij ook nog eens tot nihil naarmate de bedrijfsomvang toeneemt. In de wetenschap dat het grootbedrijf volgens de UWV-nota gedifferentieerde premies 2019 (p. 17) een aandeel heeft van 66% van de loonsom, het middenbedrijf 24% en het kleinbedrijf 10%, is dat een ronduit contraproductieve opzet.