De overheid mocht bij invoering van de Wet BeZaVa (2014) wel degelijk Ziektewetschade met terugwerkende kracht bij werkgevers in rekening brengen. Dit voor velen verrassende oordeel heeft de Hoge Raad uitgesproken in een zaak waarin voor de fiscus miljoenen euro’s aan premie-inkomsten op het spel stonden.

Het oordeel van de Hoge Raad is verrassend, omdat de Advocaat-generaal van dit orgaan eerder adviseerde dat een werkgever terecht correctie van zijn Ziektewetpremie had geëist. Het hoogste rechtscollege volgt adviezen van de Advocaat-generaal vrijwel altijd op, maar deze uitspraak is een uitzondering op die regel. Hiermee lijken ook bezwaren tegen de WGA-flexpremie van 2014 van tafel. De schadetoerekening voor deze regeling wijzigde destijds op dezelfde wijze als die voor de Ziektewet.

Werkgever voelde zich benadeeld

De zaak waarover de Hoge Raad zich boog, draaide om een werkgever die bezwaar maakte tegen verhoging van zijn Ziektewetpremie door instroom in 2012. Die premiestijging was het gevolg van de invoering van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa) in 2014. De fiscus baseerde de premie op de instroom van twee jaar eerder (t-2). Onrechtvaardig, vond de werkgever, want hij kon dit gevolg in 2012 nog niet voorzien en kreeg dus ook niet de kans om de kostenstijging te voorkomen.

Europees Hof is nu laatste optie

Gerechtelijke instanties oordeelden uiteenlopend over de zaak. Bij de rechtbank kreeg de werkgever ongelijk, maar het Gerechtshof Amsterdam en daarna de Advocaat-generaal van de Hoge Raad vonden zijn bezwaren wél terecht. Nu de Hoge Raad er toch anders over denkt, kan de werkgever eventueel nog naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens stappen.

Ruime bevoegdheid wetgever als beslissend argument

  • De kern van de argumentatie van de Hoge Raad is dat de Nederlandse overheid ruime bevoegdheden heeft om met terugwerkende kracht regels voor de heffing van belastingen en premies te wijzigen. Ook als dit betekent dat anderen hierdoor worden benadeeld.
  • Zuiver budgettaire redenen van de overheid zijn volgens de Hoge Raad al voldoende om dit te rechtvaardigen. Opvallend genoeg veegt het hoogste rechtscollege in zijn uitspraak namelijk alle andere argumenten van de Staat van tafel.

De uitspraak maakt niet duidelijk onder welke omstandigheden de overheid dan wél haar bevoegdheden zou overschrijden.